Mijn avonturen met Jim Boelie

Iedere week verschijnt hier een nieuw verhaal van Mijn avonturen met Jim Boelie. Wil je ze wekelijks in je inbox krijgen? Of wil je iemand anders ermee opzadelen? Schrijf je hier in.

 

 

  1. Jarig.

 

Jim is vandaag 42 geworden. We zitten het met z’n tweeën te vieren, bij mij thuis aan de keukentafel. Ik heb tompoezen gekocht; één voor mij, één voor Jim. Hij pakt het gebakje van zijn bordje en probeert het in een keer in zijn mond te steken. Ik kan een zucht niet onderdrukken; wat een beginnersfout. Meteen bij die eerste hap komt aan weerskanten de room naar buiten gebulkt. Alles zit onder. Zijn handen, zijn gezicht, de keukentafel.

Het hebben van een imaginaire vriend is soms ingewikkeld. Natuurlijk, het zorgt ook voor veel plezier: ik ben de voornaamste persoon in Jims leven. In feite draait alles om mij en dat is, op zijn zachts gezegd, egostrelend. Maar. Er zijn ook flinke nadelen. Er ligt namelijk een grote druk op mijn schouders, want als ik niet met hem afspreek, dan ziet hij niemand. Als ik niet met hem klets, dan kletst niemand met hem. Als ik zijn verjaardag niet vier, dan zit hij in zijn eentje alles onder de tompoes te smeren. Hij heeft, kortom, naast mij weinig andere mensen om op terug te vallen. En dat maakt het hebben van een imaginaire vriend soms, zoals ik al zei, ingewikkeld.

‘Hoe in godsnaam kun je 42 worden en niet weten hoe je een tompoes eet?’ vraag ik hem. Hij kijkt me aan als een geit. Ik herpak mezelf: ‘De truc is: je moet die rakker ontleden. Eerst haal je de bovenkant met de roze glazuur eraf, die bewaar je tot het laatst. Dan lepel je met een vorkje de room van de bodem. Vervolgens duw je de roze bovenkant op de onderkant, met het glazuur naar beneden, waardoor je in feite twee koekjes hebt met een roze middenlaag. Dan pak je een mes en je snijdt het in acht vierkante hapjes. Die eet je één voor één op. Soms een slokje koffie tussendoor. Dat weet iedereen.’

Ik pak een geel vaatdoekje en poets de keukentafel. Een weeïge, zoete lucht komt van het witte blad opgestegen. Jim zit een kleine minuut te simmen omdat hij het idee heeft dat ik teleurgesteld in hem ben en daar heeft hij ook gelijk in. Toch; dit is wel zijn verjaardag, dus ik vind het niet nodig om hier al te lang bij stil te staan. Het is maar tompoes.

Ik weet al wat te doen. Een muziekje. Van muziek wordt hij altijd vrolijk. Ik heb net een plaat gekocht van Prince: Controversity, uit zijn begintijd. Op dat album staan zoveel hits dat Jim daar onmogelijk weerstand aan kan bieden. Vanaf het moment dat de eerste beat klinkt, vergeet hij het drama en danst hij door de keuken. Hij pakt een pollepel uit de berg met afwas en zwaait ermee door de lucht.

‘Waar heb je dit gekocht?’ roept hij.

‘In de platenwinkel natuurlijk, Jim.’ Hij kan soms zulke ondoordachte vragen stellen. Maar goed, zo is hij en hij zal ook niet veranderen. Ik weet dat er mensen zijn die denken: hij is toch imaginair? Dan kan hij toch zijn wie je wil dat hij is? Nee. Jim Boelie is Jim Boelie. Altijd een vlassig snorretje, altijd een korte broek.

Door zijn gedans word ik ook een stuk vrolijker. Ik pak de pollepel van hem over en zing Private Joy mee. De synthesizers nestelen zich in onze benen. De kick zit in de buik. Ik neem de leadzang op me. De claps zijn voor rekening van Jim, net als het koortje: ‘Jooooooyyyyy!’ Meegevoerd door deze feestelijke energie laat ik de gootsteen vollopen met heet water, trek mijn rubberen afwashandschoenen aan en werp Jim een theedoek toe. Op deze manier vliegt die enorme berg vaat er in een zucht doorheen. Als Jim tijdens zijn gitaarsolo een ontbijtbord uit zijn handen laat vallen, en ik zijn gezicht al weer zie versimmen, haal ik triomfantelijk mijn schouders op en zeg: ‘joh, kan gebeuren.’ We dansen verder.

Hierna ploffen we neer op de bank en kijken we twee afleveringen van het derde seizoen van Friends. Met name Chandler is in topvorm in die tijd. Hij probeert te stoppen met roken, en dat loopt helemaal uit de hand.

Dan moet ik naar kantoor, ik heb alleen de ochtend vrij genomen. Ik weet: we zijn aanbeland bij het moeilijkste onderdeel van de dag, het afscheid. Ik zet de televisie uit en draai me om naar Jim die in de bank is weggezonken.

‘Nu moet je weer naar huis,’ zeg ik. Hij doet, zoals meestal, alsof hij me niet gehoord heeft. ‘Jim,’ zeg ik. ‘Jim Boelie. Ik weet dat je het niet leuk vindt. Maar toch is het zo. Het is mooi geweest voor vandaag.’

‘Wat is mooi geweest?’ vraagt hij quasi- afgeleid. Hij rekt zich een keer uit maar hoeft niet echt te geeuwen.

‘Alles. Vandaag. Ons samenzijn. Je gaat nu weer weg.’

‘Welnee.’

‘Jawel, Jim. Ik moet gaan werken.’

‘Zullen we nog een potje Rummikuppen?’ zegt hij opgewekt.

‘Nee, er wordt niet gerummikupt.’

‘Monoplie?’

‘Het is mo-no-po-ly, Jim. En nee. Het is klaar.’

‘Echt?’

‘Ja, echt. Je verjaardag is afgelopen. Tot de volgende keer.’ Ik moet streng zijn, anders gebeurt er niks.

Hij doet demonstratief zijn armen over elkaar en zegt: ‘Oké zelf weten, dikke lul.’ Zonder me aan te kijken loopt hij naar de voordeur en smijt die achter zich dicht. Door het raam aan de straatkant zie ik hem zijn korte broek ophijsen en met grote passen weglopen.

 

  1. Huur

 

Jim is al een half uur aan het woord over een boek dat hij gelezen heeft. Een sci-fi verhaal met krijgers en buitenaards leven, ergens in de toekomst. Ik kan er geen touw aan vastknopen.

‘Hoe heet nu die hoofdpersoon?’

‘Mazawelda, voor de tiende keer,’ verzucht Jim, ‘En dat is dus de geadopteerde dochter van de Grebbekoning. Die van planeet P.’

Ik doop een suikerklontje in mijn koffie totdat hij is volgezogen en uit elkaar brokkelt. Dan laat ik hem uit mijn vingers glijden. Met mijn lepeltje roer ik geroutineerd in het kopje. Ik lees zelf niet graag, ik val vrijwel altijd in slaap van al die woorden. Ik heb ook het idee dat mensen die nog lezen niet doorhebben dat er intussen veel betere media zijn. Er zijn films, series, games. Kijk, als je in 1721 leefde, zou ik het begrijpen dat je er op donkere avonden een boek bij pakte. Maar in 2017…

Jim vervolgt: ‘…en Mazawelda heeft een gemuteerd paard waarmee ze de sneeuwvlaktes trotseert.’ Ik probeer zo begripvol mogelijk naar hem te knikken. Ondertussen verbaas ik me, zoals zo vaak, over hoe bewerkelijk het hebben van een imaginaire vriend is. Nu weer een gemuteerd paard… Ik weet niet hoor.

‘Mag ik nu iets vertellen, Jim?’ zeg ik, hopend dat hij door deze vraag ook inziet dat hij wel erg veel ruimte inneemt. Een gesprek is per saldo toch een kwestie van geven en nemen. Praten en luisteren. Soms lijkt Jim geen enkele notie te hebben van zeer fundamentele afspraken die mensen onderling hebben.

Hij valt stil en kijkt me geschrokken aan. Ik ga recht zitten en vouw mijn handen in elkaar.

‘Dank je wel,’ zeg ik. ‘Ik heb namelijk een beslissing moeten nemen die voor ons beiden consequenties gaat hebben. Het zit zo: die trut van van Zweisen heeft de huur omhoog gegooid. Ik heb eens zitten rekenen en dat gaat erg krap worden allemaal. Daarom heb ik besloten dat ik de zolder ga verhuren.’

Zo. Ik heb de pleister er maar meteen vanaf getrokken. Nu hou ik even in, omdat ik ook wel weet dat dit rauw op zijn dak komt vallen. Iemand van buitenaf, dat is een fikse omslag. De vrijheid zoals we die nu kennen zal in één klap veranderen, de wereld van buiten zal naar binnen komen. En Jim weet ook wel dat iemand als hij, hoe oneerlijk ook, niet door iedereen geaccepteerd wordt. Misschien valt het mee, maar misschien ook niet. We moeten voorzichtig zijn.

‘Maar… wie dan?’ stamelt Jim. ‘Wie of… en wanneer?’

‘Dat weet ik nog niet vriend. Ik heb een advertentie het internet op gegooid. Het is afwachten wie daar op gaat reageren.’

Jim staart in zijn kopje koffie. Hij doet er altijd vier kuipjes melk in, waardoor hij een lichte mokka-kleur heeft. Hij krabt aan zijn wang en heeft moeite met slikken. Ik besluit maar meteen all-in te gaan:

‘Eerlijk gezegd heb ik de eerste reactie al binnen. Een studente. Plien heet ze geloof ik. Tussen één en twee zal ze langskomen voor een bezichtiging.’

Jim kijkt met een schuin oog naar de klok aan de muur boven de peperplant. Het is half twaalf.

‘En ik dan?’ vraagt hij met een pruillip. Ik heb begrip voor zijn verdriet, maar hij maakt het weer groter dan het is.

‘Nou, als ze zo langskomt, dan zal jij even op mijn kamer moeten wachten. En je gedeisd houden. En stel dat ze geschikt is, dan zullen jij en ik hele duidelijke afspraken moeten maken.’

‘Waarom heb je mij niks gevraagd?’ probeert hij nog.

Ik probeer hem gerust te stellen. ‘…luister Jim, deze eventuele huurder zal heus niet al-tijd thuis zijn. En waarschijnlijk ook veel tijd doorbrengen op zijn of haar nieuwe kamer. Maar nogmaals Jim, ik ga niet doen alsof alles bij het oude blijft.’

‘Je bent een dikke lul, Egbert,’ zegt Jim terwijl hij me met zijn koffielepeltje aanwijst. Een traantje biggelt over zijn wang. ‘Een ontzettend dikke lul.’ Daarna staat hij op en grist de tekening die hij een paar dagen geleden voor me gemaakt heeft van de koelkast, verfrommelt deze en gooit hem in de vuilnisbak. Dan komt hij weer terug aan de keukentafel zitten, met zijn gezicht in zijn handen. Deze reactie had ik wel verwacht. Eigenlijk valt het me nog mee.

Ik aai hem over zijn haar. Dat voelt een beetje vettig aan. ‘Komt goed, Jim. Echt waar. Komt goed.’

 

  1. Kantoor.

 

Mijn beeldscherm is gevuld met het hoofd van Palinga, onze directeur, die zichzelf op alle computers in dit bedrijf als bureaubladachtergrond heeft ingesteld. Waarom weet ik niet. Met mijn muis beweeg ik het pijltje richting zijn dikke neus en ga wat heen en weer, waardoor het lijkt alsof het pijltje in de neus van Palinga peutert. Van binnen moet ik er hard om lachen. Ik schrik op van Yasmina, onze koffiedame uit Turkije of een land daar in de buurt. Ze komt rinkelend mijn kantoor binnen met een karretje vol kopjes en drie thermoskannen.

‘Goedemorgen, Egbert,’ zegt ze met een accent waar ik intussen aan gewend ben.

‘Goedemorgen Yasmina,’ zeg ik. ‘Lekker, koffie, daar ben ik aan toe.’

Ze tapt een kopje vol, zet het op een schoteltje en plaatst het voorzichtig op mijn bureau. Er gaat een beetje over de rand. Een plukje haar steekt onder haar hoofddoek uit. Ik weet niet goed of dat erg is.

‘Druk vandaag?’ vraagt ze.

‘Ik hoop het niet,’ zeg ik. Daar moet Yasmina om grinniken, al was het niet persé als grapje bedoeld.

‘Tot later,’ zegt ze en ze keert onhandig haar karretje, het wieltje blijft scheef zitten. Een paar keer gaat ze heen en weer. Ze geeft er een flinke ruk aan waardoor kopjes tegen elkaar rinkelen en er bijna iets van het blad valt. Gelukkig gaat het goed. Ze lacht nog een keer verontschuldigend naar me en dan rijden Yasmina en haar karretje eindelijk weg.

Terug naar het beeldscherm, waar was ik mee bezig? O ja, het peuteren. Ik doe het nog eens, beweeg wat op en neer met de cursor, maar de lol is er nu wel vanaf. Ik laat suiker in mijn koffie vallen, roer en denk na.

In de pauze zit ik op mijn vaste plek bij het raam. Er hangt een vettige lucht. Het is donderdag en dan zijn er snacks. Daardoor hangt er ook altijd een uitgelatener sfeer dan anders in de kantine. Mensen, vooral mannen, reageren hier sterk op, als honden die zo naar buiten mogen.

‘Egbert! Eggie! Bamischijfje? Kroketje?’ roept Paul die in de rij staat met zijn dienblad. Hij is zeker zeven meter van me verwijderd. Nadat hij dit aan me gevraagd heeft, wacht hij het antwoord niet af, maar begint wat te lachen met Achmed en Judith die bij hem in de rij staan. Ze stoten elkaar aan. ‘Of liever een Mexicano, Eggie? Of vind je dat te pittig?’ Weer lachen.

Ik schud mijn hoofd vriendelijk en wijs op mijn broodtrommel. Daar zitten zes boterhammen in, en dat is meer dan genoeg. Ik twijfel even en kies dan met welke ik begin: leverworst.

Wat zal ik vanavond eens gaan doen? En vooral: zal ik Jim vragen om langs te komen? Ja, dat is toch wel een goed idee, ik heb zin om hem te zien. Even de dag doornemen, misschien wat televisie kijken. Als hij maar niet chagrijnig is, of te vrolijk. Daar heb ik geen zin in.

‘Eggie, ik ben nú aan de beurt!’ hoor ik Paul roepen. ‘Wil je echt geen kroketje?’ Ik schud nog eens van nee zonder naar hem te kijken. Het was toch duidelijk?

Van twee tot half vijf maak ik een bouwwerk van alles wat op mijn bureau ligt, behalve de computer. Het is een toren van bijna anderhalve meter hoog bestaande uit mappen, een pennenbakje, een grote gum, de perforator, mijn broodtrommel, tipp-ex, paperclips, twee lege koffiekopjes, een rekenmachine en een bureaulamp.

Als het laatste half uur is ingegaan kijk ik op de portal naar mijn takenlijst voor vandaag. Binnen een kwartier heb ik al mijn opdrachten uitgevoerd. Dan zit ik nog vijftien minuten naar de klok te kijken terwijl ik denk aan Prince en dan trek ik mijn jas aan.
Als ik thuiskom zit Jim op de stoep voor mijn huis te wachten met een tasje vol boodschappen naast zich. Ik zie het meteen: tomaten, bleekselderij, gehakt. Het zijn de ingrediënten voor spaghetti bolognese. Lekker.

‘Ha vriend. Hoe issie?’

‘Goed. Met jou?’ We geven elkaar een high-five.

Ik steek de sleutel in het sleutelgat en we lopen met zijn tweeën door de hal naar binnen.

‘Ik heb boodschappen gedaan,’ zegt Jim terwijl hij zijn neus snuit. ‘Spaghetti.’

‘Weet ik,’ zeg ik.

 

  1. Plien.

 

Ondanks dat ik hem duidelijk heb gemaakt dat hij niet welkom is vandaag, stond Jim om negen uur vanmorgen met een pruillip voor de deur.

‘Jim, nee. Je weet toch: het is verhuisdag van Plien,’ zei ik.

‘Als je me niet binnenlaat, Egbert, is het voor mij duidelijk,’ zei hij opstandig. ‘Dan heb je me ingeruild voor een echt mens. En dan hoef ik je nooit meer te zien.’

Onredelijk als altijd, maar toch, ergens begrijp ik dat hij bevestiging van me nodig heeft. Ik heb hem mijn laptop gegeven en Jim op mijn kamer gelaten. Hij zit Home Alone 2 te kijken op mijn bed. Als hij zich maar kalm houdt.

De bel gaat. Ik sta op en open de deur. Daar staat Plien met twee op elkaar gestapelde dozen in haar armen. ‘Hé! Daar ben je! Hartelijk welkom!’ roep ik. Ze schrikt een beetje van me. ‘Heb je het allemaal kunnen vinden?’ vraag) ik. Altijd belangrijk: smalltalk.

‘Ja hoor. Ik ben hier al eerder geweest, hè?’ zegt ze. Ze loopt me voorbij met de twee dozen op haar armen, gevolgd door haar vriendin en haar vader die ook hun handen vol hebben. Ze zijn duidelijk onder de indruk van mijn forse kerstboom die staat te fonkelen in de hoek. Ik heb hem samen met Jim opgetuigd, dus hij is lekker bont. Hij knippert in alle kleuren, hangt vol met slingers, ballen, poppetjes, sterretjes, kransjes en engelenhaar, dat alles overladen met een flinke portie nepsneeuw.

De vriendin kijkt me verder niet aan, van de vader krijg ik een knikje en een glimlach. Het is een grote man met een overall aan. Misschien een automonteur. Ze lopen meteen door naar de trap. Ik volg ze, vooral om er zeker van te zijn dat ze niet per ongeluk of expres mijn slaapkamer binnengaan. Gelukkig, ze nemen direct de tweede trap naar de zolder. Ik besluit ze toch maar verder te volgen en duw op de lichtschakelaar, want dat is Plien vergeten. Het licht knippert twee keer en is dan aan.

We staan met z’n vieren op mijn zolder. We kijken om ons heen alsof er veel te zien is, maar er staat nog amper iets.

‘Klein, maar fijn,’ zegt de vader met zijn handen in zijn zij. Plien kijkt intussen minder gestrest. Ze gaat zitten op één van de dozen. Ze zucht en veegt wat haren uit haar gezicht.

‘Het ruikt een beetje muf,’ zegt de vriendin. Ik laat me niet raken door deze belediging, in plaats daarvan open ik het raampje dat in het schuine dak zit. Het piept en gaat stroef en er valt wat stof vanaf. Er komt een fris windje de kamer binnen.

‘Nou, pap, dit is dus Egbert, mijn huisbaas. Egbert, mijn vader.’ We geven elkaar een hand. Hij knijpt die van mij haast fijn. ‘En dit is Sjaantje,’ zegt Plien terwijl ze naar de vriendin wijst.

‘Dag Sjaantje,’ zeg ik. Ik vind het een ouderwetse naam voor iemand die nog geen twintig is. Sjaantje heeft een erg strakke spijkerbroek aan, en knalroze sportschoenen aan en een kauwgom in haar mond. Plien is gelukkig een stuk minder opvallend.

‘Hé, ouwe,’ zegt ze tegen me. Weer kijkt ze om zich heen alsof ze een beetje misselijk is. Ik vind het vreemd dat ze me ‘ouwe’ noemt. Zo oud ben ik toch niet?

Dan zegt even niemand iets. De vader duwt tegen een van de balken die horizontaal door de kamer lopen. Hij ontdekt dat hij alleen in het midden van de kamer helemaal rechtop kan staan.

‘Misschien wel aardig om het geheel een likje verf te geven,’ zegt hij dan handenwrijvend. ‘Lichtgroen, ofzo. Iets fris.’

‘Dat komt later wel,’ zegt Plien. ‘Eerst al die zooi naar boven.’

Omdat Jim mijn laptop heeft, kan ik in de woonkamer geen series of Youtube kijken. Er is niks op tv. Uit armoe pak ik een boek dat ik ooit cadeau heb gekregen uit de kast en neem plaats op de bank. Terwijl Plien, haar vader en Sjaantje achter me heen en weer lopen, doe ik alsof ik lees. Er zit een onrust in mijn lijf. Ik weet niet goed hoe ik me moet verhouden tot deze onbekende mensen die zo door mijn huis stampen. Even denk ik dat ik de hele zaak moet afblazen. Gewoon zeggen: Sorry maar helaas, je kunt hier niet komen wonen. Tot ziens.

Dan komt de vader in zijn eentje van de trap afgebonkt en gaat naast me op de bank zitten. Hij is bezweet. Hij hoest een keer en slaat me dan op mijn bovenbeen. Hij kijkt een stuk minder vriendelijk dan eerder.

‘Hé, vriend. Eventjes mannen onder elkaar.’ Hij schraapt zijn keel, hij heeft een stem die door de bank trilt. ‘Dat daar boven, is mijn kleine meisje. Snap je?’ Hij kijkt me strak in de ogen. ‘En ik hoef maar één dingetje te horen, en ik sta hier met een knuppel voor de deur. Begrijpen wij elkaar?’

Eerlijk gezegd begrijp ik het niet helemaal. Eén dingetje horen? Wat voor dingetje? Hij kijkt zo streng dat ik besluit te knikken. Dat is blijkbaar de gewenste reactie, want hij slaat me vervolgens op mijn schouder en een harde lach verlaat zijn mond. ‘Volgens mij hoef ik me niks zorgen te maken,’ roept hij, waarna hij een keer in mijn bovenarm knijpt om te constateren dat die niet zo dik is. Het is lang geleden dat er zoveel aan me werd gezeten.

De twee meisjes komen de trap af. ‘Egbert,’ zegt Plien, ‘ik hoor allemaal geluid van jouw slaapkamer komen. Volgens mij heb je iets aan laten staan.’

Ik schrik en voel mijn hart een keer overslaan: Jim.

‘Het klinkt als een actiefilm of zo,’ zegt Sjaantje. ‘Veel ontploffingen en geschreeuw.’

Dat is de climax van Home Alone 2: alle boobytraps die afgaan. Ik moet zo normaal mogelijk doen. Niks laten blijken. ‘Oh, ja. Dat kan,’ zeg ik, ‘ik ben vergeten… om het uit te zetten.’ Ik heb het ontzettend warm gekregen en volgens mij heb ik een gloeiend, rood hoofd.

‘Oké. Ik moet gaan,’ zegt Sjaantje dan tegen Plien. ‘Sorry dat ik niet kan helpen inrichten.’ De vader staat ook op, ze geven elkaar een knuffel.

De vader wijst nog een keer met twee vingers naar zijn eigen ogen en grijnst. Sjaantje zegt: ‘Later, ouwe,’ en dan zijn ze weg, ik hoor Plien de deur achter ze dicht doen.

‘Egbert, ik ben op zolder, mijn spulletjes in orde maken.’ Ze rent de trap op.

Ik zit op de bank alsof ik van steen ben. De kerstboom knippert vrolijk verder.

 

  1. Vuurwerk.

 

Jim is een groot vuurwerkliefhebber. En dan niet de mooie sierlijke pijlen of fonteinen, nee de harde knallers. Chinese matten, kanonslagen, vlinderbommen. Omdat ik niet wil dat hij mee de straat op gaat – veel te gevaarlijk – staat hij achter het raam te kijken naar hoe ik die rakkers aansteek. Eerst een Black Mamba. Ik zet mijn beschermingsbril op en hou de aanmaaklont tegen de lont, het begint te knetteren en enkele seconden later: pang! Ik kijk om en zie Jim zijn beide duimen opsteken; het was door het glas heen te horen hoe hard deze ging. Ik steek er meteen nog één aan. Vervolgens pak ik een Mad Dog Ultra uit mijn plastic tasje en pantomime naar Jim dat dit de aller-allerlaatste is. Het is tenslotte van half twaalf ‘s ochtends en oudjaar is pas over drie dagen. Ik heb al vaker buren aan de deur gehad. De Mad Dog Ultra gaat helaas een stuk minder hard dan die ervoor.

Plien zit deze dagen met haar familie in een Center Parcshuisje. Ze woont hier pas net, maar ze is veel weg. Dat is prettig, vooral met Jim. Het is onhandig, ik krijg het nog slecht gecombineerd. Plien heeft geen idee van Jim, maar ze kan soms een hele tijd naar me kijken, of ineens heel verbaasd zijn alsof ik van een andere planeet kom. Eén keer zat ik met Jim in de woonkamer en kwam ze ineens thuis. Toen moest Jim zich, alsof hij een geheime minnares was, verstoppen achter de kast.

Ik kan het Plien natuurlijk niet kwalijk nemen dat ze thuiskomt. Volgens mij moet ze behoorlijk wennen. Maar goed, wij dus ook aan haar.

‘Je ruikt lekker naar kruit,’ zegt Jim.

‘Heb je die Black Mamba gehoord? Die ging snoeihard, of niet?’ vraag ik hem.

‘Absoluut. Ik ben zo jaloers.’

‘Daar heb ik begrip voor.’

‘Ik zou er echt wat voor geven om ook één keer zo’n knaller aan te steken. Al was het maar een astronaut.’

Ik pak hem bij een schouder. ‘Jim, laat ik eerlijk zijn; ik weet niet of je dat moet willen. Het is echt niet zonder risico. Eigenlijk zijn het gewoon wapens, die rakkers. Levensgevaarlijk.’

‘Echt?’

‘Ja Jim, echt ongelooflijk gevaarlijk.’

Hij kijkt me aan en daarna weer door het raam naar buiten, waar de laatste rook optrekt. Daarna schudt hij zijn hoofd. ‘Dat jij dat durft,’ zegt hij vol bewondering. Ik trek mijn schouders op, al is het natuurlijk fijn om te horen dat hij onder de indruk is. Eigenlijk jammer dat Paul en Achmed van kantoor dit soort momenten niet zien.

Jim wandelt de keuken in en schenkt voor ons allebei een chocolademelk in. Er zijn nog wat kerstkransjes over, die neemt hij ook mee. We eten en drinken terwijl we samen op de vensterbank leunen. Buiten begint het een beetje te miezeren.

‘Egbert?’

‘Ja?’

‘Als het straks oudjaar is, en klokslag twaalf uur… dan gaat de Thunderking lawinepijl de lucht in, toch?’ vraagt hij verlekkerd.

‘Dat is wel het plan, Jimmyboy.’ Ik schrik er een beetje van dat ik hem Jimmyboy noem. Zo noem ik hem nooit.

‘Maar Egbert… om twaalf uur, dan wordt er een heleboel vuurwerk afgestoken toch?’

‘Een heleboel, Jim.’

‘Dus dan hoor je al heel veel harde knallen…’

Druppels glijden naar beneden over de ruit, ze maken willekeurige patronen. Hij heeft gelijk. Het allerstomste moment voor een finaleklapper is wel op 31 december, om twaalf uur ‘s nachts. Dan ga je er niks van meekrijgen. Het oorverdovende lawaai van mijn prachtige lawinepijl van €7,95 zal opgaan in het geknetter en geknal van jan en alleman.

Jim en ik weten het allebei: het moet nu. Half één ‘s middags, drie dagen voor het grote feest. Er is weinig verkeer, er zijn weinig pottenkijkers. Ik snel naar de bijkeuken, pak een lege wijnfles en schiet in mijn jas. Buiten zet ik de stok van de pijl in de fles en richt hem naar het grootste open gedeelte in de lucht. Ik zet de bril weer op, maak met mijn aansteker de aansteeklont aan, en daarmee weer de lont. Het gaat gebeuren: de pijl der pijlen. Het gaat fantastisch worden. Bloed pompt door mijn aderen, het knetterende vuur komt steeds dichter bij het karton. Ik kijk nog een keer over mijn schouder. Jim staat tegen de ruit te ademen. Bijna. Bijna. En dan: pang, de Thunderking schiet met enorme snelheid de lucht in. Als hij zijn hoogste punt bereikt heeft, klapt hij met duizelingwekkend geweld uit elkaar. Zo ongelooflijk hard, dat de straat ervan schudt. Het doet pijn aan mijn oren, er ontstaat direct een lichte pieptoon. Ik kijk om me heen of ik niet gezien ben.

Dan kijk ik achter me. Daar staat Jim, met zijn vlakke handen tegen het raam gedrukt. In zijn ogen danst een vlammetje, zijn mond open van geluk.

 

  1. Berichtje.

 

‘Kunnen wij even een paar afspraakjes maken?’ Ik houd Plien staande in de woonkamer. ‘Want er is voor mij geen regelmaat te ontdekken in jouw aankom– en vertrekgedrag.’

Ze kijkt me verbaasd aan en denkt na. ‘Hoe bedoel je, Egbert?’

‘Nou, dat gaat maar en dat komt maar. Het zou voor mij fijn zijn om exact te weten wanneer je van zolder komt en wanneer je weer thuis zult arriveren. Zodat ik daar inzicht in krijg.’

‘Oh?’ Ze trekt haar wenkbrauwen op en steekt haar duimen onder de hengsels van haar rugzak.

‘Niet dat ik je wil controleren, hoor…’ aarzel ik, ’maar de trap naar zolder staat natuurlijk hier in de woonkamer. Dat is erg onhandig van de architect die dat toentertijd heeft ontworpen. Kunnen we nu niks meer aan doen. Maar ik ben erg gehecht aan mijn… mijn privacy. Dus ik moet weten wanneer ik je beneden kan verwachten.’

Zal je net zien: zit ik met Jim samen te rummikuppen, komt Plien binnengestormd met al haar jeugdige energie. Dat levert een ontzettend ongemakkelijke situatie op. Ze zal denken dat ik een eenzame, vreemde man ben die met zichzelf zit te rummikuppen. Niks is natuurlijk minder waar, maar leg dat maar eens uit.

‘Ik ben bang dat ik dat niet altijd weet, Egbert,’ zegt ze. ‘Soms ben ik even shoppen, of naar een vriendin. Of als ik honger heb zal ik ook de keuken moeten gebruiken. Dat was inbegrepen bij de huur, toch?’

Ze heeft gelijk. Ik heb hier helemaal niet goed over nagedacht toen ik haar als huurder aannam en nu kan ik haar niet meer wegsturen. Tenminste, niet meteen. Misschien moet ik haar inlichten over het bestaan van Jim… Nee, dat is een heel slecht idee.

‘Hm,’ zeg ik, ‘dan zitten we wel met een probleempje. Wil je thee?’ Plien knikt. Ik wandel peinzend naar de keuken en zet de waterkoker aan. Ik pak vast een zakje earl grey en hang het in een mok. Als het water borrelt schenk ik het op het zakje en wandel terug met de thee.

‘Alsjeblieft,’ zeg ik.

‘Hoef je zelf niet?’

‘Nee, voor mij geen thee. Plien, luister, ik weet even niet hoe we dit kunnen oplossen. En dat is vreselijk frustrerend, ik kan namelijk altijd alles oplossen. Op mijn werk vind ik alles makkelijk. Vroeger op school wist ik altijd alle antwoorden. Maar nu niet.’ Met mijn vingers krab ik in mijn nek. Niet omdat het jeukt, maar het geeft me iets te doen.

Plien blaast in haar mok. We staan er wat onhandig bij, zo in de kamer naast de wenteltrap. Dit was misschien meer een keukentafelgesprek, maar daar is het nu te laat voor. Ze staart een tijdje voor zich uit. Ik zie dat de kerstboom veel van zijn naalden verloren is. Misschien is het tijd dat ik hem opruim.

‘Ik weet misschien wel iets,’ zegt Plien dan. Ik spits mijn oren. ‘Ik zou eventueel een berichtje kunnen sturen als ik bijna thuis ben. Of als ik bijna wil gaan. Als dat fijn is.’

Een enorme opluchting maakt zich van me meester. ‘Geniaal!’ roep ik uit. ‘Ge-ni-aal! Ik wist dat jij een slimme was toen ik je voor het eerst zag! Dat doen we, Plien! Jij stuurt een berichtje naar mijn telefoon als je eraan komt!’ Ik wil haar vastpakken, of de hand schudden, of wat dan ook maar in plaats daarvan zwaai ik impulsief en enthousiast met mijn armen haar richting in waarbij ik de kop thee raak. Omdat zij hem blijkbaar niet zo stevig vasthoudt, sla ik hem uit haar handen. Het hete water en het natte zakje vliegen door de lucht, de mok belandt eerst tegen de muur en valt daarna in stukken op de grond. Plien krijgt een paar druppels op haar gezicht, waar ze van schrikt. Ik kijk naar de ravage.

‘Kijk, en daarom drink ik dus geen thee,’ zeg ik. ‘Ga jij maar naar zolder, ik ruim dit wel op.’ Een kort moment staat ze te treuzelen, maar dan gaat ze de trap op. Ze lijkt wat aangedaan.

‘Niet vergeten om een berichtje te sturen als je weer naar beneden komt, hè?!’ roep ik haar nog na. Ik pak keukenpapier en een oude krant om de scherven in te verzamelen. Wat gebeuren er toch vaak ongelukken in dit huis. Daar wil ik niemand de schuld van geven, maar ik ben wel blij dat ik vanavond niet met Jim heb afgesproken. Een avondje alleen zal me goed doen. En dan kan ik meteen controleren of Plien zich aan de afspraken houdt.

Als ik twee uur later de kruiswoordpuzzel van de krant zit te maken aan de keukentafel piept mijn telefoon: Egbert, ik kom zo koken. Ok?

Het werkt als een trein.

  1. Goofy.

 

‘Egbert. Schaam jij je voor mij?’ vraagt Jim nadat hij de aflevering van Friends op pauze heeft gezet. Hij draait zich naar me toe met een we-moeten-praten-houding.

‘Nee, absoluut niet. Waarom denk je dat?’ zeg ik.

‘Jawel. Jawel, Egbert, je schaamt je voor mij.’

‘Nee.’

Ik weet wel waar hij op doelt en ik vind het vreselijk jammer dat Jim en ik niet als twee normale vrienden naar een restaurant of café kunnen gaan. Dat ligt geheel aan mij. Ik word daar nerveus van. Ik ben bang dat hij iets doet, iets grappigs of iets stoms waardoor ik me niet in kan houden. Waardoor ik ineens, midden in het winkelcentrum of op het station, in lachen of woede uitbarst en dat iedereen me aankijkt. Allemaal gezichten vol verbazing en afschuw. En dan zal er een wit busje aan komen scheuren, waaruit vier mannen in witte kleren komen rennen, ze trekken me een dwangbuis aan, nemen me mee en gooien me in een heel klein wit kamertje met een hard bedje. Deur op slot.

‘Wáárom wil je dan niet met mij naar buiten? Onder de mensen?’

De plaatsen waar ik met Jim kan komen zijn daarom beperkt. Mijn huis, de auto en heel soms de bioscoop. Maar alleen doordeweeks in de ochtend naar films die al een hele tijd draaien en het liefst slechte recensies hebben gehad.

‘Ik word dan angstig. Nerveus,’ zeg ik.

‘Angst is een slechte raadgever. Heb je zelf gezegd.’

‘Klopt.’

‘Dus?’ Hij kijkt me droevig aan met zijn helblauwe ogen.

‘Dus?’ herhaal ik.

‘Je weet best wat ik wil.’

‘Nee dat weet ik niet,’ lieg ik.

‘Kom op, Egbert. Dus?’

‘Dus?’ herhaal ik weer.

‘Je weet het wel.’

‘Nee, echt niet.’

‘Dus wannéér gaan we naar Disneyland Parijs?’

Ik wist dat deze vraag ging komen, eens in de twee, drie weken komt hij weer bovendrijven. Keer op keer moet ik hem teleurstellen. ‘Jim, je weet dat ik…’ begin ik, maar ik word onderbroken door Jim die tegen de salontafel trapt. Een kandelaar valt om en belandt op het Afrikaanse vloerkleed.

‘Jim…’ ga ik verder. Maar ik heb geen antwoord. Ik kan het niet. Ik wil het niet. Ik moet hem zo vaak nee verkopen. Mijn trouwe, beste vriend, die er altijd is als ik dat wil. Hij heeft één wens. Eén verlangen op zijn lijstje staan. Wat ben ik voor monster om hem dat te onthouden?

‘Maar ik kan dat niet betalen, Jim,’ zeg ik.

‘Wel! Dat kun je wel, Egbert! En het hoeft helemaal niet duur te zijn. We kunnen met de trein. We kunnen sparen bij de supermarkt. We kunnen zelf boterhammen smeren. Het hoeft echt niet duur te zijn.’ Jim heeft zich intussen van de bank af laten glijden en zit nu voor me op de grond. Hij houdt smekend mijn been vast, zijn ogen nog groter dan ze al waren.

Ik zit met mijn mond vol tanden en voel me ellendig. Ik kijk naar de afstandsbediening. Waren we maar weer gezellig televisie aan het kijken. Voelde ik me maar niet zo schuldig. Disneyland Parijs… Ik weet echt niet wat ik doen moet.

‘Oké,’ zeg ik dan.

‘Oké?’ Nu herhaalt Jim mij.

‘Ja.’

‘Wat ja? Gaan we naar Disneyland?’

‘Ja. Ooit. Niet nu. Niet volgende week. Maar ooit. Ooit gaan we naar Disneyland.’

‘Beloofd?’

‘Beloofd.’

Jim veert op en springt op de lege plek naast me op de bank. Juichend, allebei zijn armen in de lucht. Er komen woeste kreten vanuit zijn tenen opgestegen. Vanuit zijn enthousiasme begint hij willekeurige Disney-figuren te roepen. Alsof ze hem kunnen horen.

‘Mickey Mouse, Donald Duck, De Kleine Zeemeermin, Sebastiaan, Hiawata, Katrien Duck, Aladdin, Kwak, Kwik, Willie Wortel!’

Hoewel hij nog lang niet alle Disney-figuren heeft opgenoemd, vind ik het raar dat hij Kwek vergeten is.

‘Ik ben zo blij, Egbert!’

‘Ik zie het, Jim.’

‘Dit gaan we vieren! Wat wil je drinken?’

‘Een biertje.’ Jim sprint naar de keuken.

Wat heb ik gedaan? Ik heb het beloofd. Nu kom ik er nooit meer onderuit. Nu moeten we samen de echte wereld in. Daar komt het witte busje met de witte mannen. Het wordt de hel.

Jim komt terug, met een glas water en een biertje in zijn handen. Hij zet ze voor ons op de tafel. Hij draait zich om. Vervolgens kijkt hij me een beetje scheel aan, laat zijn mond dom hangen, haalt adem en zegt: ‘Gorsh!’ Precies zoals Goofy dat doet. Het lijkt heel aardig.

Jim pakt de afstandsbediening en zet de televisie weer aan. De hele aflevering van Friends gaat langs me heen. Het enige dat ik hoor is het gelach van het publiek.

 

  1. Douche.

 

Ik zit op kantoor te staren naar mijn takenlijst voor vandaag. Wederom zal dat niet meer dan een half uur werk zijn. In mijn maag ligt een steen. Ik leg mijn hoofd op mijn bureau neer.

Vanmorgen, toen ik mijn tanden wilde poetsen en ik de badkamer binnenliep, bleek Plien daar nog te zijn. Ze was net klaar met douchen en stond op het matje voor de badkuip. Ze schrok zich kapot en sloeg haar grote, witte handdoek om zich heen. Ik schrok ook en ben meteen omgedraaid. ‘Doe godverdomme de deur dan op slot!’ riep ik. ‘Sorry!’ riep zij.

Ik heb niks gezien. Althans, niks van de zaken die je normaliter niet wil laten zien. Alleen benen, armen, schouders en natte haren. Toch voel ik me raar.

Yasmina klopt op de deur en komt met het koffiekarretje naar binnen gerammeld. Ik veer op en trek mijn blouse goed. Ik moet zo normaal mogelijk doen.

‘Daar is de koffie!’ zegt ze met haar accent.

‘Overheerlijk,’ zeg ik opgewekt. Ze glimlacht.

Ik weet bijna zeker dat ze het ziet. Ze kan zien wat ik heb gedaan vanochtend. Ik heb begrepen dat er zoiets bestaat als vrouwelijke intuïtie. Ze kijkt dwars door me heen. Of ze weet het al lang. Vrouwen hebben onderling een soort verbond, denk ik. Of een telefoonboom. Of een forum waar ze alles opschrijven wat ze meemaken. Waarop staat wie er een viezerik is. En mijn naam staat daar nu in hoofdletters bovenaan.

‘Ik heb vandaag iets lekkers meegebracht,’ zegt Yasmina.

Ik zeg niks en knik alleen. Des te sneller is ze weer weg.

‘Baklava. Omdat ik vandaag precies een jaar hier werk.’

‘Oh, oké,’ zeg ik. Ik durf haar niet aan te kijken, ik beweeg wat met mijn cursor over het scherm. Ze zet het schoteltje met het vettige gebakje naast de koffie op mijn bureau. Dan staat ze even te drentelen en vertrekt weer.

‘Gefeliciteerd,’ mompel ik nog, maar ze heeft de deur al achter zich dicht getrokken. Ik haal opgelucht adem en kijk op de klok. Het is pas half elf.

Misschien moet ik Plien een berichtje sturen. Maar wat moet daar dan in staan? Sorry? Of: Ik heb echt niks gezien? Of: Voortaan de deur op slot a.u.b.? Was Jim maar hier. Niet dat hij zou weten wat te doen, maar hij zou me in ieder geval opvrolijken.

Ik neem een slokje van mijn koffie, iets te slap als altijd. Dan pak ik het plakkerige gebakje van het bordje en neem een hap. Het is verschrikkelijk zoet. Mijn kaken schieten in een kramp van een paar seconden en er gaat een rilling door mijn hele lijf. Dan trekt het weg.

De rest van de dag zit ik te piekeren. Ik ga niet naar de kantine om te lunchen, want daar is natuurlijk iedereen al op de hoogte. Als ik daar één voet binnenzet word ik direct uitgelachen. Of ze gaan wijzen en smiespelen. Ik eet mijn boterhammen en banaan achter mijn computer op. Na mijn lunch werk ik mijn opdrachten af, het duurt nog geen twintig minuten. De uren daarna flitst steeds dat moment van vanmorgen door mijn gedachten. Ze zag er mooi uit, maar dat mag ik natuurlijk niet denken. Als kind zag ik mijn moeder geregeld bloot. Toen ik dertien was heb ik een keer mijn buurmeisje naakt in haar tuin gezien. Toen ik tweeëntwintig was trok Angelique tijdens het samen studeren ineens al haar kleren uit, dus toen ben ik maar weggegaan. Dat waren ze wel, de blote vrouwen die ik gezien heb. Op de blaadjes en het internet na dan, maar dat is allemaal nep.

Als ik naar huis wandel krijg ik een berichtje van Plien: ik ben pas laat thuis. Uur of elf. Ben bij Sjaantje. Om bij te komen, natuurlijk.

Eenmaal thuis zit Jim alweer op het stoepje voor mijn deur. Mijn betrouwbare, imaginaire vriend. Hij heeft een plastic tasje met boodschappen voor zich staan. Een bloemkool, aardappelen en slavinken.

‘We eten aardappelen-groente-vlees,’ zegt hij en steekt een duim omhoog.

‘Lekker,’ zeg ik met een zucht.

‘Pudding na.’

‘Ja.’

Even zijn we stil.

‘Hoe is het, Egbert?’ vraagt hij bezorgd.

‘Helemaal niet goed, Jim,’ zeg ik. ‘Helemaal niet goed.’

 

  1. McDonalds.

 

Jim heeft al de hele dag zijn Mickey Mouse-oren op. Omdat we ons verveelden zijn we een stukje met de auto gaan rijden. Ik heb de radio aangezet, want ik werd gek van Jim die de hele tijd It’s a small world after all zat te neuriën. De muziekkeuze van de zender valt mee en tussendoor doet de dj met zijn overdreven stem een popquiz met bellers. Jim en ik weten alle antwoorden.

Het douche-debacle van laatst heeft gelukkig geen staartje gekregen. Plien heeft er niks meer over gezegd, en ik zelf ook niet. Ik ben allang blij dat de storm is gaan liggen. Ik heb er nachten niet van geslapen.

‘Mike Oldfield!’ roept Jim naar de radio. Vervolgens horen we de stem van de dj zeggen ‘… helaas, het nummer Moonlight Shadow is van: Mike Oldfield. We gaan er nu naar luisteren.’ Jim steekt een vuist in de lucht. Sinds ik heb beloofd dat we ooit naar Disneyland Parijs zullen gaan is hij in de wolken. Ik zie er nog steeds enorm tegenop om samen met mijn imaginaire vriend de echte wereld te betreden. Toch: het is fijn hem zo gelukkig te zien.

Ik sla af richting de snelweg. Jim ademt op de ruit en tekent heel precies het logo van Disney. Het is een grijze dag, wolken gaan over in wolken. Het is fris en een beetje mistig, maar in de auto staat de verwarming aan en is het behaaglijk. We passeren dorpjes, boerderijen en weilanden. Nederland ligt er heerlijk netjes bij. Wat een fijn en overzichtelijk land is dit toch. Ik zou nergens ander willen wonen.

Een grote gele M torent overal bovenuit. De McDrive. Ik zie Jim kijken; eerst opgetogen en verrast, om daarna naar mij te kijken, zijn ogen neer te slaan en nee te knikken. Hij zucht zachtjes. Ik verman mezelf, zet het knipperlicht aan en neem de afslag. Dit is het moment. Het moment van verandering.

Ik rij de parkeerplaats over en met mijn handen om het stuur geklemd sluit ik aan achter de rij auto’s. Ik blijf rustig doorademen. De radio tettert verder. Een mix van opwinding en nervositeit giert door mijn lichaam. Als ik bij de bestelpaal ben aanbeland zegt een krakende stem: ‘Goeiemiddag, welkom bij McDonald’s. Wat mag het zijn?’

Ik kijk naar mijn vriend in de bijrijdersstoel. Mijn vriend, die ik al eenendertig jaar ken. Waarmee ik zoveel heb gedeeld en meegemaakt. Maar over wie ik ook altijd geheimzinnig moet doen. Over wie ik altijd moet doen alsof hij niet bestaat.

‘Hallo?’ klinkt het nog een keer uit de bestelpaal. ‘Wat kan ik voor u doen?’

Ik verzamel alle moed die ik in me heb en zeg: ‘Ja. Goeiemiddag. Eum… Mag ik… Ik zou graag… twéé Big Mac menu’s willen. Twee.’ Weer kijk ik naar Jim, die niet goed weet wat hem overkomt. Ik heb het gedaan! Ik heb twee menu’s besteld.

‘Wat voor frisdrank mag daarbij?’

‘Cola,’ zegt Jim.

‘Twee cola,’ zeg ik.

‘Fritessaus?’

‘Ook tweemaal.’

‘Oké, u mag doorrijden.’

Rustig geef ik wat gas en kom bij het eerste loket waar ik de twee Big Mac Menu’s betaal, alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Dan rij ik door naar het tweede loket. Een puisterige jongen met een McDonald’s-petje overhandigt me een bruine papieren zak. Met een schuin oog gluurt hij mijn auto in.

‘Nou, u heeft flinke trek,’ zegt de jongen.

‘Nee hoor. Dat tweede menu is voor mijn grote vriend Jim,’ zeg ik glimlachend en neem vanzelfsprekend het eten van hem aan. Dan rijden ik en Jim verder, de parkeerplaats op. Ik draai met de sleutel het contact uit, waardoor de auto afslaat. Hiermee gaat ook de radio uit. Dat maakt me niet uit, ik was dat overdreven gepraat toch zat. Het voelt alsof ik iets gewonnen heb. De eerste prijs. Terwijl ik het eten verdeel voor Jim en mezelf, begin ik te zingen: It’s a world of laughter, a world of tears, It’s a world of hopes and a world of fears, but there’s so much that we share that it’s time we’re aware: it’s a small world after all!’ Jim is aangehaakt en we zingen samen uit volle borst het refrein: ‘It’s a small world after all, It’s a small world after all…!’ Ik steek vijf frietjes tegelijk in mijn mond en zing gewoon door.
Een vrouw met een kinderwagen kijkt me verbaasd aan en begint te lachen. Ik lach terug en neem triomfantelijk een hap van mijn Big Mac.

Misschien is het tijd dat ik Jim aan Plien voorstel.

 

  1. Cake.

 

‘Er gaat niks, maar dan ook helemaal niks boven een gewóne cake, Jimmyboy,’ zeg ik. ‘Al die programma’s en kookboeken met de gekste muffins, brownies en meringues; ze kunnen me gestolen worden. De gewone cake is onovertroffen. Op het gebied van gebak dan.’

‘Het gebak-gebied,’ zegt Jim.

‘Precies. Hij is simpel, zoet, zacht, maar toch gelaagd. Een product dat zich al honderden jaren heeft bewezen,’ zeg ik, terwijl ik het beslag over de cakevorm verspreid. Ik neem een likje van de pannenlikker en geef hem dan aan Jim. ‘Niet alles! Krijg je buikpijn van.’

Mijn contact met Jim is weer als vanouds. Nee: verbeterd. Ik ken intussen de tijden waarop Plien thuis is, en wanneer ze daarvan afwijkt stuurt ze me een berichtje. Een ideaal systeem. Door haar bijdrage heb ik geen geldzorgen meer wat de huur betreft. En daarom heb ik weer de rust en tijd om samen met mijn imaginaire buddy vriendendingen te doen, zoals het bakken van een heerlijke, gewone cake.

De oven heeft de 165 graden nog niet bereikt, dus we zullen iets moeten bedenken om de tijd te doden. Daar hoef ik niet lang over na te denken. ‘En dan nu: Prince-time!’ roep ik, en zet de klassieker When Doves Cry op. Het was een hit toen Jim en ik elkaar net leerden kennen. Ondanks dat het zeer dansbaar is, komt ook de emotionaliteit van de tekst en de zang iedere keer weer binnen. We gaan er helemaal in op. De dans is intens, ons luchtgitaarspel verfijnd. Prince gaat voor ons over verlangen. Dan piept de oven.

Ik pak de cakevorm heupwiegend van het aanrecht, open met mijn voet de oven en schuif het ding naar binnen. De warme lucht voelt lekker in mijn gezicht.

‘Zo Jim, En nu is het een kwestie van een uurtje wachten en dan kan het feest beginnen.’

‘Ik heb er superveel zin in.’

‘Ik ook, makker!’

‘Egbert?’ zegt Jim dan. Hij kijkt plechtig.

‘Ja?’

‘Ik… ik wil mijn excuses aanbieden voor alle keren dat ik je een dikke lul heb genoemd. Je bent geen dikke lul.

‘Ach, Jim, dat is toch helemaal geen probleem. Zoiets zeg je in het heetst van de strijd.’

‘Toch wil ik sorry zeggen.’

‘Excuses aanvaard, Jimmyboy.’ We kijken elkaar in de ogen, even denk ik dat we elkaar gaan omhelzen, maar het blijft bij een schouderklopje.

Wanneer ik vervolgens de ovenwanten wil uittrekken en me omdraai om ze op de keukentafel te leggen, schrik ik me kapot. De grond valt in één klap onder mijn voeten vandaan. Daar, in de deuropening, staan Plien en haar vriendin Sjaantje. Ze hebben hun bontgekleurde jassen aan en een grote, verbaasde blik op hun gezichten. De mond van Plien staat een beetje open. Sjaantje kauwt heel langzaam op haar kauwgom en blaast dan een bel. Ze zeggen niks. Een golf van paniek raast door mijn lichaam, van mijn tenen tot mijn kruin. Jim kijkt heen en weer tussen mij en de meisjes. Honderden gedachtes schieten door mijn hoofd. Dan hoor ik mezelf zeggen:

‘Hoe lang staan jullie daar al, als ik vragen mag?’ Alsof ze wakker schrikt kijkt Plien op. Ze doet een plukje haar uit haar gezicht en zegt dan stotterend: ‘Euh. Al… al eventjes.’

‘Al eventjes?’

‘Ja,’ vult Sjaantje haar aan. Ze blaast nog een bel.

Ik weet niets te zeggen. Ik voel me verschrikkelijk raar, mijn oren suizen.

‘Oh,’ zeg ik.

‘Met… met wie praat jij?’ vraagt Plien. ‘Wie is Jimmyboy?’

Langzaam verspreidt zich een zoete, warme geur door de keuken.

  1. Weg.

 

Jim en ik naderen de ring van Antwerpen. We zijn gegaan: Disneyland Parijs. Ik heb wat kleren in een tas gefrommeld en mijn tandenborstel gepakt. Jim had niks nodig. Ik zit achter het stuur, zoals altijd, want Jim heeft geen rijbewijs. De bijrijdersstoel is zijn plek, tussen zijn benen staat een tasje met krentenbollen en pakjes drinken. Hij heeft zijn Mickey Mouse-oren weer op, al is één van de oren geknakt doordat hij er laatst op is gaan zitten.

Mijn nek en schouders zitten helemaal vast door de spanning. De afgelopen weken blijven door mijn hoofd schieten als een achtbaan waar geen einde aan komt. Er is zo krankzinnig veel gebeurd sinds de verjaardag van Jim: de verhuizing van Plien, het vreemde gesprekje met haar vader, de spanning van oudjaar, al het servies dat door verschillende oorzaken gesneuveld is, het onomkeerbare, beschamende douche-incident, de blikken van mijn collega’s. En dan, alsof het allemaal nog niet erg genoeg was, het verschrikkelijke moment een aantal dagen geleden, toen Plien en Sjaantje me betrapten terwijl ik samen met Jim een intiem en persoonlijk gesprek had. De vijf minuten die we daar ongemakkelijk in de keuken stonden te dralen leken een mensenleven te duren. Uiteindelijk heb ik me eruit weten te redden. Ik heb gezegd dat de cake die ik aan het bakken was een naam had gegeven. De cake heette Jimmyboy, en daar kletste ik tegen. Zoals je ook tegen een plant moet praten om hem te laten groeien. Toen zijn ze gegaan. Ik heb ze nog zeker een uur horen giechelen op zolder.

Weg. Ik moest weg. Dat was het enige wat ik zeker wist. Weg uit dat huis, weg van het kantoor, weg uit de stad. Ik heb direct meneer Palinga gebeld en gevraagd of ik een paar dagen vrij kon krijgen. Hij leek eerst niet echt te weten wie ik was. Toen hij me opzocht in het systeem bleek dat ik heel veel vrije dagen had opgespaard. Het was niet langer een kwestie van mogen, ik moest die dagen opnemen, en wel meteen.

Het is druk op de ring, ik rij stapvoets tussen twee grote vrachtwagens in. Het is een koude en heldere dag. Naast me zit Jim dromerig naar buiten te kijken, terwijl hij met een vinger over zijn snor aait. Soms mompelt hij de naam van een willekeurig Disneykarakter. Ik kan zo jaloers zijn op zijn onbezorgdheid. Als er iets met hem is, als hij geïrriteerd is of vrolijk, gooit hij dat er meteen uit. Soms vermoeiend, maar het lijkt me zoveel fijner dan hoe ik de dingen juist opkrop en binnenhoud.

Tegelijkertijd: hij heeft de luxe van onzichtbaarheid. Het zou eerlijker zijn als de rollen soms omgedraaid waren. Dat ik soms imaginair was, en hij echt. Dat Lijkt me fantastisch.

Als we de grens met Frankrijk passeren begint de afstand te werken. Het geraas in mijn hoofd neemt af. We stellen elkaar om beurten quizvragen en Jim heeft intussen onze uitgeprinte plattegrond van het pretpark al uit zijn hoofd geleerd. Er is zelfs een hele route uitgestippeld. Buiten is het intussen donker geworden, de maan is precies een halve cirkel.

De lobby van het Disney Hotel is indrukwekkend groot. We lopen vol bewondering over het zachte tapijt. Er hangen kroonluchters, er staan planten en we zien hier en daar een kleine verwijzing naar Alice in Wonderland. In het midden staat de eikenhouten balie met daarachter een vrolijk oud mannetje. Ik leg mijn paspoort op de toonbank en zeg:

‘Good evening. My name is Egbert Kers. I made a reservation for a Toy Story-room.’

De man tikt wat dingen in op zijn computer. ‘You have booked a room with two beds. Is this correct?’ Hij heeft een grappig Frans accent.

‘Yes, that is correct,’ antwoord ik.

‘Is the other person coming later? I need both passports.’

‘No…. It’s for…’ Ik krijg het Spaans benauwd. Mijn handen beginnen te zweten. Maar dan besluit ik het gewoon te zeggen: ‘The other bed is for my imaginairy friend. Jim Boelie. He doesn’t have a passport.’

Het vriendelijke mannetje stopt met typen en kijkt even geamuseerd op. Vervolgens duwt hij met een vinger zijn bril omhoog en grinnikt een keer. ‘Of course it is,’ zegt hij. Hij draait een formulier uit en schuift het onder mijn neus. ‘Please sign here.’

In de lift, met de Buzz Lightyear-sleutelhanger in mijn hand, voel ik me een paar kilo lichter. Alsof ineens alle puzzelstukjes op hun plek vallen. Er klinkt zachtjes muziek, ik meen iets uit The Lion King. Jim trekt gekke bekken voor de spiegel aan de achterwand.

Eenmaal in onze kamer trekken we onze kleren uit en ploffen neer op de bedden. Ik zet nog snel een wekker, want morgen is de grote dag. Ik rek me uit.

‘Slaap lekker, Jimmyboy,’ zeg ik.

‘Slaap lekker, Egbert.’

We vallen binnen een paar seconden in een diepe slaap.

 

  1. Disneyland.

 

Jim en ik staan met een hotdog in onze handen te popelen op het centrale plein. De Disney Stars on Parade kan ieder moment beginnen. Het belooft één van de vele hoogtepunten te worden. We hebben ervoor gezorgd dat we een goed plekje hebben en staan helemaal vooraan. Jims ogen fonkelen. Er zit wat ketchup op zijn wang.

We zijn hier nu een halve dag en Disneyland Parijs overtreft al mijn verwachtingen. Het is fantastisch. De achtbanen zijn spectaculair, de vormgeving is prachtig, de mensen zijn zeer vriendelijk. En wij zweven door de straten en over de paden van het park, terwijl we van de ene in de andere verbazing vallen.

We zeggen niks. Jim en ik ondergaan Disneyland Parijs zwijgend. Dat hebben we zo afgesproken: ik ben er veel te bang voor dat het misgaat wanneer we zouden praten. De afgelopen uren hebben we alle attracties in stilte ondergaan, al zijn ze soms zo indrukwekkend dat we het eigenlijk willen uitschreeuwen. Maar dan slikken we even, kijken elkaar aan en we weten: dit is geen droom.

Bombastische klassieke muziek begint te spelen. Het is zover: Disney Stars on Parade vangt aan. Mijn hart bonst in mijn borst. Als eerste komt Mickey Mouse in zijn Fantasiakostuum voorbij, staand op een rijdende, met sterren bezaaide paarse berg. Hij dirigeert alsof het een lieve lust is. Hierna worden we getrakteerd op een stoet enorm kleurrijke wagens, die ons meesleuren naar een volmaakte wereld vol vrolijkheid. Alle figuren komen voorbij, de één is nog niet voorbij of daar komt de volgende al. Er is confetti, bellenblaas, muziek en dans. Dit is de wereld zoals hij zou moeten zijn. De rots van de Leeuwenkoning. Een immense draak, gevolgd door Assepoester in een koets. Knabbel en Babbel dansend naast Aladdin.

Weer een blik opzij, naar mijn vriend. De blauwe ogen van Jim zijn een beetje vochtig. Er zit nog steeds ketchup op zijn wang, maar daar kan ik nu niks van zeggen. Ik probeer het met een gebaar duidelijk te maken. Als vervolgens een kind me verbaasd aankijkt, besef ik dat ook dat er gek uitziet. Ach, waar maak ik me ook druk om? Het is maar ketchup.

Na de parade is het tijd voor de attractie It’s A Small World. We varen met een bootje door verschillende werelddelen. Jim zit mee te deinen op het lied dat hij thuis zo vaak in zijn hoofd heeft. We genieten zwijgend van de zwaaiende poppen. Als we langs Nederland varen moet ik aan thuis denken. Ik moet grinniken omdat ik me voorstel dat daar, tussen de tulpen en molentjes, de mensen van thuis staan. Dat meneer Palinga, Plien, Sjaantje, Paul en Yasmina daar staan te zwaaien. Ik zwaai even terug. Doei!

Aan het eind van de dag verzamelen alle bezoekers zich op het plein voor het kasteel van Doornroosje. Disney Illuminations: een duizelingwekkende finale met vuurwerk en muziek. Projecties op de hoge roze muren van het kasteel. Maar het komt haast niet meer binnen. Het is te veel, ik zit vol. Ik zie alleen Jim staan, in zijn korte broek, terwijl het hartstikke koud is. Zijn vlassige snorretje, de ketchup op zijn wang. Jim Boelie, kijkend naar de finaleshow. Wat een held. Er dringt zich langzaamaan iets aan me op. Een vreemd gevoel dat ik niet kan thuisbrengen.

De laatste vuurpijlen gaan de lucht in, de violen en trompetten bereiken hun climax en het onbekende gevoel vaart erop mee. Is het verdriet? Is het een hysterische lachbui? Woede? De laatste paukenslagen klinken en ik… adem uit. Ik snap niet goed wat er nu gebeurd is, maar ik adem uit. Een diepe zucht. Alsof ik iets loslaat wat ik al heel lang krampachtig vasthield. Ik voel me ineens op een heel prettige manier moe.

De show is afgelopen. Mensen om me heen beginnen massaal te bewegen, ze gillen en roepen en lachen nog wat. Mannen met Disneypetjes escorteren het publiek naar buiten. Ik blijf nog even staan. Soms loopt er iemand tegen me aan. Dat maakt me niks uit. Konden Jim en ik maar in Disneyland Parijs wonen. Een klein huisje, aan de rand. Dat zou perfect zijn. Voor altijd hier blijven.

Wetend dat dit slechts een fantasie zal blijven, begin ook ik richting de uitgang te lopen. Na een paar passen hou ik in en kijk naast me: niemand. Dan tuur ik verder om me heen maar ik zie hem nergens.

Ik ben Jim kwijt.