Mijn avonturen met Jim Boelie

Iedere week verschijnt hier een nieuw verhaal van Mijn avonturen met Jim Boelie. Wil je ze wekelijks in je inbox krijgen? Of wil je iemand anders ermee opzadelen? Schrijf je hier in.

1. Jarig.

Jim is vandaag 42 geworden. We zitten het met z’n tweeën te vieren, bij mij thuis aan de keukentafel. Ik heb tompoezen gekocht; één voor mij, één voor Jim. Hij pakt het gebakje van zijn bordje en probeert het in een keer in zijn mond te steken. Ik kan een zucht niet onderdrukken; wat een beginnersfout. Meteen bij die eerste hap komt aan weerskanten de room naar buiten gebulkt. Alles zit onder. Zijn handen, zijn gezicht, de keukentafel.

‘Hoe in godsnaam kun je 42 worden en niet weten hoe je een tompoes eet?’ vraag ik hem. Hij kijkt me aan als een geit. Ik herpak mezelf: ‘De truc is: je moet die rakker ontleden. Eerst haal je de bovenkant met de roze glazuur eraf, die bewaar je tot het laatst. Dan lepel je met een vorkje de room van de bodem. Vervolgens duw je de roze bovenkant op de onderkant, met het glazuur naar beneden, waardoor je in feite twee koekjes hebt met een roze middenlaag. Dan pak je een mes en je snijdt het in acht vierkante hapjes. Die eet je één voor één op. Soms een slokje koffie tussendoor. Dat weet iedereen.’

Het hebben van een imaginaire vriend is soms ingewikkeld. Natuurlijk, het zorgt ook voor veel plezier: ik ben de voornaamste persoon in Jims leven. In feite draait alles om mij en dat is, op zijn zachts gezegd, egostrelend. Maar. Er zijn ook flinke nadelen. Er ligt namelijk een grote druk op mijn schouders, want als ik niet met hem afspreek, dan ziet hij niemand. Als ik niet met hem klets, dan kletst niemand met hem. Als ik zijn verjaardag niet vier, dan zit hij in zijn eentje alles onder de tompoes te smeren. Hij heeft, kortom, naast mij weinig andere mensen om op terug te vallen. En dat maakt het hebben van een imaginaire vriend soms, zoals ik al zei, ingewikkeld.

Ik pak een geel vaatdoekje en poets de keukentafel. Een weeïge, zoete lucht komt van het witte blad opgestegen. Jim zit een kleine minuut te simmen omdat hij het idee heeft dat ik teleurgesteld in hem ben en daar heeft hij ook gelijk in. Toch; dit is wel zijn verjaardag, dus ik vind het niet nodig om hier al te lang bij stil te staan. Het is maar tompoes.

Ik weet al wat te doen. Een muziekje. Van muziek wordt hij altijd vrolijk. Ik heb net een plaat gekocht van Prince: Controversity, uit zijn begintijd. Op dat album staan zoveel hits dat Jim daar onmogelijk weerstand aan kan bieden. Vanaf het moment dat de eerste beat klinkt, vergeet hij het drama en danst hij door de keuken. Hij pakt een pollepel uit de berg met afwas en zwaait ermee door de lucht.

‘Waar heb je dit gekocht?’ roept hij.

‘In de platenwinkel natuurlijk, Jim.’ Hij kan soms zulke ondoordachte vragen stellen. Maar goed, zo is hij en hij zal ook niet veranderen. Ik weet dat er mensen zijn die denken: hij is toch imaginair? Dan kan hij toch zijn wie je wil dat hij is? Nee. Jim Boelie is Jim Boelie. Altijd een vlassig snorretje, altijd een korte broek.

Door zijn gedans word ik ook een stuk vrolijker. Ik pak de pollepel van hem over en zing Private Joy mee. De synthesizers nestelen zich in onze benen. De kick zit in de buik. Ik neem de leadzang op me. De claps zijn voor rekening van Jim, net als het koortje: ‘Jooooooyyyyy!’ Meegevoerd door deze feestelijke energie laat ik de gootsteen vollopen met heet water, trek mijn rubberen afwashandschoenen aan en werp Jim een theedoek toe. Op deze manier vliegt die enorme berg vaat er in een zucht doorheen. Als Jim tijdens zijn gitaarsolo een ontbijtbord uit zijn handen laat vallen, en ik zijn gezicht al weer zie versimmen, haal ik triomfantelijk mijn schouders op en zeg: ‘joh, kan gebeuren.’ We dansen verder.

Hierna ploffen we neer op de bank en kijken we twee afleveringen van het derde seizoen van Friends. Met name Chandler is in topvorm in die tijd. Hij probeert te stoppen met roken, en dat loopt helemaal uit de hand.

Dan moet ik naar kantoor, ik heb alleen de ochtend vrij genomen. Ik weet: we zijn aanbeland bij het moeilijkste onderdeel van de dag, het afscheid. Ik zet de televisie uit en draai me om naar Jim die in de bank is weggezonken.

‘Nu moet je weer naar huis,’ zeg ik. Hij doet, zoals meestal, alsof hij me niet gehoord heeft. ‘Jim,’ zeg ik. ‘Jim Boelie. Ik weet dat je het niet leuk vindt. Maar toch is het zo. Het is mooi geweest voor vandaag.’

‘Wat is mooi geweest?’ vraagt hij quasi- afgeleid. Hij rekt zich een keer uit maar hoeft niet echt te geeuwen.

‘Alles. Vandaag. Ons samenzijn. Je gaat nu weer weg.’

‘Welnee.’

‘Jawel, Jim. Ik moet gaan werken.’

‘Zullen we nog een potje Rummikuppen?’ zegt hij opgewekt.

‘Nee, er wordt niet gerummikupt.’

‘Monoplie?’

‘Het is mo-no-po-ly, Jim. En nee. Het is klaar.’

‘Echt?’

‘Ja, echt. Je verjaardag is afgelopen. Tot de volgende keer.’ Ik moet streng zijn, anders gebeurt er niks.

Hij doet demonstratief zijn armen over elkaar en zegt: ‘Oké zelf weten, dikke lul.’ Zonder me aan te kijken loopt hij naar de voordeur en smijt die achter zich dicht. Door het raam aan de straatkant zie ik hem zijn korte broek ophijsen en met grote passen weglopen.

 

 

Huur.

Jim is al een half uur aan het woord over een boek dat hij gelezen heeft. Een sci-fi verhaal met krijgers en buitenaards leven, ergens in de toekomst. Ik kan er geen touw aan vastknopen.

‘Hoe heet nu die hoofdpersoon?’

‘Mazawelda, voor de tiende keer,’ verzucht Jim, ‘En dat is dus de geadopteerde dochter van de Grebbekoning. Die van planeet P.’

Ik doop een suikerklontje in mijn koffie totdat hij is volgezogen en uit elkaar brokkelt. Dan laat ik hem uit mijn vingers glijden. Met mijn lepeltje roer ik geroutineerd in het kopje. Ik lees zelf niet graag, ik val vrijwel altijd in slaap van al die woorden. Ik heb ook het idee dat mensen die nog lezen niet doorhebben dat er intussen veel betere media zijn. Er zijn films, series, games. Kijk, als je in 1721 leefde, zou ik het begrijpen dat je er op donkere avonden een boek bij pakte. Maar in 2017…

Jim vervolgt: ‘…en Mazawelda heeft een gemuteerd paard waarmee ze de sneeuwvlaktes trotseert.’ Ik probeer zo begripvol mogelijk naar hem te knikken. Ondertussen verbaas ik me, zoals zo vaak, over hoe bewerkelijk het hebben van een imaginaire vriend is. Nu weer een gemuteerd paard… Ik weet niet hoor.

‘Mag ik nu iets vertellen, Jim?’ zeg ik, hopend dat hij door deze vraag ook inziet dat hij wel erg veel ruimte inneemt. Een gesprek is per saldo toch een kwestie van geven en nemen. Praten en luisteren. Soms lijkt Jim geen enkele notie te hebben van zeer fundamentele afspraken die mensen onderling hebben.

Hij valt stil en kijkt me geschrokken aan. Ik ga recht zitten en vouw mijn handen in elkaar.

‘Dank je wel,’ zeg ik. ‘Ik heb namelijk een beslissing moeten nemen die voor ons beiden consequenties gaat hebben. Het zit zo: die trut van van Zweisen heeft de huur omhoog gegooid. Ik heb eens zitten rekenen en dat gaat erg krap worden allemaal. Daarom heb ik besloten dat ik de zolder ga verhuren.’

Zo. Ik heb de pleister er maar meteen vanaf getrokken. Nu hou ik even in, omdat ik ook wel weet dat dit rauw op zijn dak komt vallen. Iemand van buitenaf, dat is een fikse omslag. De vrijheid zoals we die nu kennen zal in één klap veranderen, de wereld van buiten zal naar binnen komen. En Jim weet ook wel dat iemand als hij, hoe oneerlijk ook, niet door iedereen geaccepteerd wordt. Misschien valt het mee, maar misschien ook niet. We moeten voorzichtig zijn.

‘Maar… wie dan?’ stamelt Jim. ‘Wie of… en wanneer?’

‘Dat weet ik nog niet vriend. Ik heb een advertentie het internet op gegooid. Het is afwachten wie daar op gaat reageren.’

Jim staart in zijn kopje koffie. Hij doet er altijd vier kuipjes melk in, waardoor hij een lichte mokka-kleur heeft. Hij krabt aan zijn wang en heeft moeite met slikken. Ik besluit maar meteen all-in te gaan:

‘Eerlijk gezegd heb ik de eerste reactie al binnen. Een studente. Plien heet ze geloof ik. Tussen één en twee zal ze langskomen voor een bezichtiging.’

Jim kijkt met een schuin oog naar de klok aan de muur boven de peperplant. Het is half twaalf.

‘En ik dan?’ vraagt hij met een pruillip. Ik heb begrip voor zijn verdriet, maar hij maakt het weer groter dan het is.

‘Nou, als ze zo langskomt, dan zal jij even op mijn kamer moeten wachten. En je gedeisd houden. En stel dat ze geschikt is, dan zullen jij en ik hele duidelijke afspraken moeten maken.’

‘Waarom heb je mij niks gevraagd?’ probeert hij nog.

Ik probeer hem gerust te stellen. ‘…luister Jim, deze eventuele huurder zal heus niet al-tijd thuis zijn. En waarschijnlijk ook veel tijd doorbrengen op zijn of haar nieuwe kamer. Maar nogmaals Jim, ik ga niet doen alsof alles bij het oude blijft.’

‘Je bent een dikke lul, Egbert,’ zegt Jim terwijl hij me met zijn koffielepeltje aanwijst. Een traantje biggelt over zijn wang. ‘Een ontzettend dikke lul.’ Daarna staat hij op en grist de tekening die hij een paar dagen geleden voor me gemaakt heeft van de koelkast, verfrommelt deze en gooit hem in de vuilnisbak. Dan komt hij weer terug aan de keukentafel zitten, met zijn gezicht in zijn handen. Deze reactie had ik wel verwacht. Eigenlijk valt het me nog mee.

Ik aai hem over zijn haar. Dat voelt een beetje vettig aan. ‘Komt goed, Jim. Echt waar. Komt goed.’