Verhaal

Hieronder het eerste verhaal uit mijn bundel ‘Jazzballet’.

 

Museum

 ‘Zullen we dan nu een keer naar jouw huis?’ had Carolien gevraagd. Het was de vraag waarvan Walter wist dat hij onvermijdelijk was, maar waarvan hij toch stiekem had gehoopt dat hij om een onverklaarbare reden niet in haar op zou komen. Het liefst zou hij de vraag uit de wereld verbannen. De vorige drie vrouwen die hij na een paar afspraakjes naar zijn huis had meegenomen, hadden nooit meer iets laten horen. Niet meer gereageerd op voicemails of brieven. Niets. Het leek een vloek: de liefde en zijn levenswerk wilden maar niet samengaan.

‘Carolien, weet dat je misschien zult schrikken. Maar geloof me: ik denk dat ons samenzijn een ontzettend goed idee is. Ik mag je in ieder geval erg graag. Dus neem alsjeblieft geen overhaaste beslissingen.’ Walter had, ondanks zijn leeftijd en de tegenslagen, de hoop op het vinden van een vaste levenspartner niet opgegeven. Er moest toch iemand zijn die kon waarderen waar hij mee bezig was?

‘O, nou, het klinkt nogal dramatisch,’ zei Carolien. ‘Dat zal toch allemaal wel mee vallen? Heb je er zo’n bende van gemaakt?’

‘Integendeel, het is juist enorm geordend. Gerangschikt en zeer de moeite waard. Vind ik.’

 

Zenuwachtig staan ze voor de voordeur. Het is een oud, vrijstaand boerderijtje. Niet groot, maar het lijkt Carolien een prettige woning. Walter staat te friemelen met de sleutel. Hij probeert een relativerende glimlach.

‘Nou, daar staan we dan,’ zegt hij met een trilling in zijn stem. Hij kijkt naar Carolien en denkt bij zichzelf: laat het alsjeblieft lukken dit keer. Rond haar ogen ziet hij lieve rimpeltjes. Misschien is het dit keer anders. Misschien vindt zij het wel fantastisch.

‘Gooi die deur maar open,’ zegt Carolien.

‘Ja, absoluut. Wat je dus moet weten, Carolien, is dat mijn huis een… een museum is.’

‘Een museum? Nou, dat klinkt interessant. Waar kan ik een kaartje kopen?’

‘Nee, het is zonder kaartjes. Nu nog tenminste. Maar, ter uitleg: toen ik vijf jaar oud was, ben ik ermee begonnen en ik ben van plan om het tot het einde van mijn leven door te zetten.’

‘Oké… maar waarvan?’

‘Waarvan? Van mij. Ik ben hier geboren en ik zal hier sterven’

‘Ja, maar wat is het onderwerp? Wat is er te bewonderen? Schilderijen of treintjes of pierrots?’

‘Nee, het is een museum van mij. Over mij. Ik ben het onderwerp. Walter van Susteren. Dus het leven. Mijn leven. Van mijn geboorte tot mijn dood.’

Even valt het stil. Carolien probeert het te begrijpen. Walter kijkt haar strak aan, de reactie tot nu toe valt enorm mee. Ze is niet in de lach geschoten en ze kijkt niet afkeurend. Zijn zenuwen nemen af, hij gaat weer wat steviger staan.

‘Dus er staan spullen van jou?’

‘Ja.’

‘Maar iedereen heeft in zijn huis toch spullen van zichzelf staan? Als je het zo bekijkt is ieders huis, nadat je er een tijdje in hebt gewoond, een soort museum.’

‘Nou, Carolien, mijn museum onderscheid zich wel door een zeer gedetailleerd overzicht van de persoon Walter. Van mijzelf dus.

‘Oh… ik geloof dat ik het nog niet helemaal…’

‘Op de zolder is, om een idee te geven, mijn kindertijd te vinden, tot twaalf jaar. Dat wil zeggen dat daar zaken staan als schoolspullen, tekeningen, mijn ledikant, een fiets met zijwieltjes. Maar ook mijn melktanden, een aantal mooie kijkdozen, meerdere verjaardagskronen, oude knuffels – waarvan er twee voor de helft zijn afgefikt – poppen, hangers met kleren en schoenen. Er staan dozen met afgeknipte nagels uit die tijd, haren die ik van de kapper mee naar huis heb genomen en potten navelpluis. Felix, mijn konijn, die ik voor de gelegenheid heb laten opzetten, enzovoorts. Als je dan met de trap naar beneden gaat is daar de oude werkkamer van mijn vader, die helaas erg vroeg is overleden. Daar komen we in mijn puberteit terecht. Dat is vooralsnog de meest indrukwekkende tentoonstelling, mede omdat ik op mijn zestiende een flink brommerongeluk heb gehad. Ik was namelijk zo dronken, dat ik met veertig kilometer per uur tegen onze eigen voordeur ben opgereden. Wat een idioot was ik. Zowel die kapotte brommer als die voordeur zijn daar te bezichtigen. Je ziet de bloedspetters er nog op zitten. Daarnaast ligt er onder een stolp een zakdoek met mijn eerste kwakje, een toren van lege gelpotten, de enige valentijnskaart die ik ooit mocht ontvangen, dagboeken, enzovoorts. Vervolgens zijn daar mijn slaapkamer en de badkamer met een overzicht van mijn twintiger jaren, waarin ik mijn eerste baan kreeg. Daar staat, naast een aantal uitvindingen die ik in die tijd gedaan heb, een emmer water. Op mijn eerste werkdag, bij mijn eerste baan, heeft namelijk iemand die emmer op de deurpost van mijn kantoorruimte gezet, bij wijze van grap. Maar ik heb dat doorzien, en wist die emmer op zeer ingenieuze wijze te verwijderen, waardoor ik een droog pak hield.’

Tijdens dit vertellen wordt Walter steeds enthousiaster, waardoor hij niet ziet dat er een kleine frons op het voorhoofd van Carolien ontstaat.

‘Dan, in de slaapkamer van mijn ouders, zijn mijn dertiger- en veertiger jaren te vinden, wanneer mijn leven in wat kalmer vaarwater terecht kwam. Mijn moeder ging toen op den duur naar een bejaardenflatje, waardoor ik hier alleen kwam te wonen. Ik heb in die jaren een aantal verre reizen gemaakt met van die groepsarrangementen, met oog op het aanvullen van mijn collectie, waardoor die kamers ook wat exotisch aandoen. Erg veel souvenirs, houten maskers, autootjes van blikjes, dat soort dingen. Toen ik zevenendertig was, zat ik ongeveer een half jaartje flink met mezelf en mijn toekomst in de knoop, daar zijn ook wat spullen, tranen en foto’s van terug te vinden.’

Walter haalt een keer diep adem.

‘Ja, nu lijkt het natuurlijk alsof ik alles al verklap, maar geloof me, dit is nog helemaal niks in verhouding tot wat je zo meteen gaat zien. Je leert mij in één klap door en door kennen. Al mijn zielenroerselen en fantasieën zijn in dit museum te vinden. Nou goed, dan komen we beneden in de woonkamer, en dat is van mijn vijftigste verjaardag tot nu. Ik hoop dat ik het ga redden met de ruimte, anders heb ik al plannen liggen voor een eventuele aanbouw. Maar wie weet is daar dus ook plaats voor jou, Carolien, omdat jij dus wellicht ook een groot deel van mijn leven zal worden. Want dat is toch, als ik zo door het museum loop, een gemis in de collectie. Dus daar kunnen dan bijvoorbeeld de lakens van onze eerste nacht samen komen te hangen. En onze trouwkleding. En natuurlijk nog honderd dingen die ik nu niet bedacht krijg. Dingen des levens.’

Intussen heeft Carolien haar armen over elkaar geslagen. Ze trekt haar wenkbrauwen wat op. Walter is vervuld van zijn plan. Carolien probeert stiekem even door het raam naar binnen te gluren.

‘Maar… wie ziet dit museum? Of is het alleen voor jezelf?’

‘O, nee nee nee, dat moet ik er nog bij vertellen. Dat is namelijk het belangrijkste. Het is nu nog gesloten voor de buitenwereld, want het is nog niet af. Het museum gaat pas open op de dag dat ik overlijd. Dat heb ik jaren geleden al georganiseerd. Na mijn overlijden zal ik namelijk worden opgebaard in een mooie kist, centraal in de woonkamer. Als pronkstuk, te midden van mijn hele leven. En dan zal het museum, mijn levenswerk, vijf dagen open gaan voor publiek. Dan is dus de persoon Walter van Susteren in al zijn glorie en historie te bewonderen. Dat wordt dan in goede banen geleid door een oude vriend van me, Jos van Daal, die enorm in het idee gelooft. Hij zal zorgen voor de kaartverkoop en persberichten. Waarschijnlijk gaat dat, omdat het zo exclusief en zo kort is, stormlopen tijdens die vijf dagen. Het is tenslotte mijn levenswerk. Van die kaartomzet zie ik dan natuurlijk niks terug, maar daar gaat het mij niet om. Het gaat om het idee en om de bezoekers. En terwijl je mij dan bekijkt en door al die periodes uit mijn leven aan het struinen bent, zal er ook koffie en iets lekkers te verkrijgen zijn. En na die vijf dagen mogen ze een vlammetje bij de boerderij houden, en gaat de hele boel in rook op. Vaarwel, Walter van Susteren.’

Carolien is intussen wat bleek geworden, ze kijkt naar Walter, die haar vol verwachting aanstaart. Ze kucht een half kuchje.

‘Nou, zullen we dan maar?’ vraagt Walter, en hij steekt zijn sleutel vol goede moed in het sleutelgat.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML-tags en -attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>