De Brugklas

 

1.

Vanaf de eerste dag in de brugklas zat ik naast Duncan. Grote mond, trainingsjasje en dertien. Ik was nog twaalf. Duncan was halfbloedje – sowieso het coolste wat je kon zijn – en had om onbegrijpelijke redenen de lege plek naast mij gekozen. Daar had ik weinig over te zeggen, dat was gewoon zo. We zaten linksvoor, maar Duncan wist met gemak iemand rechtsachter te raken met zijn etui.

‘Zorg dat ze je mogen,’ had mijn zus gezegd, ‘want in die eerste weken wordt alles bepaald.’ Ik was, ondanks dat ik mijn petje achterstevoren droeg, absoluut niet stoer. De tranen zaten dicht achter mijn ogen. Ik was de enige van mijn oude groep acht die naar deze middelbare school was gegaan. Brugklas 1C was een MAVO/ HAVO/ VWO combinatie. Oftewel; alles door elkaar.

Juffrouw Tak maande de klas tot stilte. Je zou denken dat kinderen die elkaar nog niet kennen een beetje afwachtend zijn. Niet in klas 1C, bleek. Ik maakte een grapje tegen Duncan waar hij keihard om moest lachen. Hij sloeg me op mijn schouder, ik liet niet merken dat het een beetje pijn deed. Juffrouw Tak keek me streng aan, ik probeerde het weg te gnuiven. Was dit nu goed nieuws? Binnen een paar uur was ik blijkbaar de beste vriend geworden van de stoerste jongen in de klas.

Mijn eigenlijke beste vriend heette Onno. Hij ging naar een andere middelbare school. Enorm drama. Maar gelukkig woonde hij in de buurt en konden we in het weekend samen spelen. Grote constructies van technisch Lego en ’s avonds een Disneyfilm en logeren. We moesten van zijn ouders altijd heel vroeg naar bed.

Wanneer ik mijn nieuwe klas verder rondkeek zag ik dat iedereen bij zijn of haar soortgenoten was beland. De nerds zaten bij de nerds. De make-up meisjes bij de make-up meisjes. De alto’s bij de alto’s. En ik bij de stoere jongens. Dat zou dan wel kloppen.

Na een week liet Duncan me de voorraad wiet en hasj zien die hij in zijn kluisje had verstopt.

‘Gewoon een beetje dealen’, zei hij.

‘Tuurlijk,’ zei ik en knikte.

‘Haal ik toch zeker 100 per week mee op.’

Soms zag ik hem aan de rand van het schoolplein met ouderejaars staan smiespelen. Binnen een paar weken was hij de huisdealer van de school geworden en ik kreeg zijn verhalen te horen tijdens wiskunde. Hij had ook een mes op zak, voor het geval dat.

In het weekend lag ik weer op bed oude Donald Ducks te lezen met Onno, die me altijd probeerde over te halen om ook bij de zeeverkenners te gaan. Ik was in een zeer lastige spagaat terecht gekomen tussen een kasteel van Lego bouwen en de kleine criminaliteit.

Duncan mocht Onno nooit ontmoeten, zoveel was duidelijk.

 

2.

We gingen hangen in het winkelcentrum. Voor mij was het intussen helder wat mijn rol was: grappige dingen zeggen. Vrijwel alles wat ik inbracht was blijkbaar een reden tot lachen. We zaten op stenen bankjes, dronken Fanta en aten Bolognese chips. Leonie was erbij en Manuel en nog wat mensen waarvan ik de namen vergeten ben. Soms tuften we wat op de grond. De andere mensen die door het winkelcentrum liepen vonden we stom. Leonie woonde samen met haar moeder in een flatje. Na een paar keer hangen werd me duidelijk dat het de bedoeling was dat wij op den duur met elkaar zouden gaan tongen.

Ik kocht mijn eerste cd; Ravers Revolution. Mensen begonnen namelijk te vragen wat ik was. Na vier keer luisteren besloot ik dat ik geen gabber was. Later kreeg ik van iemand een cassettebandje met de Wu-Tang Clan. Dat beviel me beter, dus dat werd ik.

Tijdens het avondeten vroeg mijn moeder vaak aan mij en mijn zus hoe onze dag was geweest. Het waren de eerste keren dat ik zaken achterhield. Ik vertelde niet over het hangen in het winkelcentrum, over het dealen, over Duncan, Leonie en Manuel. Dat zou ze allemaal niet begrijpen. Dit moest ik zelf doen. Ik was bezig met de echte wereld, met volwassen worden en de liefde. Wat wist zij daar nou van.

Manuel nam een XTC-pilletje en het kickte in tijdens biologie. Hij zat te zweten achter zijn tafeltje en deed zijn best om zijn kaak stil te houden. Van Heeswijk, die wij van Vleeswijk noemde omdat hij best dik was, vroeg hem of het ging. Of hij wel lekker was. Het kwam niet in van Heeswijk op wat er echt aan de hand was. Manuel was altijd al een beetje raar. Duncan kon zijn lach niet inhouden, hij gierde het uit als hij naar Manuel keek. Die dan weer een beetje paniekerig terugkeek. Van Heeswijk zette Duncan op den duur op de gang om af te koelen. Toen het pauze werd ging Manuel wild rondrennen in het park achter school. De volgende dag was hij ziek.

Één keer tufte Duncan me tijdens een les in mijn gezicht. Een dikke klodder. Ik begreep niet waarom en hijzelf ook niet, geloof ik. Het waren verwarrende tijden.

Met Onno sprak ik steeds minder af. ‘Maar jullie kunnen altijd zo lekker spelen,’ zei mijn moeder. Dat woord alleen al: spelen. Je moest eens weten, dacht ik dan. Daar was ik echt niet meer mee bezig. Ik werd bits en ging steeds meer alleen op mijn kamer zitten.

Er waren twee groepen waar ik bang voor was. Dat waren ‘die van het kamp’ en ‘de Marokkanen.’ Ik had ze nooit iets misdaan, maar dat hoefde ook niet om gepakt te worden. Altijd als ik stukken alleen fietste keek ik angstig om me heen of ik ze zag. Één keer ben ik door een hele groep achtervolgt. Ze hadden stokken bij zich en scholden me uit. Ik fietste zo hard ook kon en wist net te ontsnappen. Maar dit voorval kan ik me ook ingebeeld hebben.

Ik stond met Leonie en haar kleine beste vriendin op het pleintje achter de flat waar ze woonde. We hadden drop en zo meteen ging er getongd worden. Daar was geen twijfel over mogelijk, het werd zelfs hardop uitgesproken door de beste vriendin die erbij stond. Ze had haar armen over elkaar en een blik van komt er nog wat van. Een grote bos zwarte, pluizige krullen was ontploft op haar hoofd. Ik en Leonie gingen dichter bij elkaar staan, ik pakte haar hand vast.

‘Ik kan het niet als jij er zo bij staat te kijken,’ zei ik tegen de beste vriendin.

‘Oké, dan ga ik wel even weg,’ zei ze. Ze draaide zich om en liep de straat uit.

Ik en Leonie keken elkaar aan. Nog nooit had ik iets zo spannend gevonden. Met haar tong haalde ze een stukje drop uit haar kiezen. Ik maakte nog een grapje. Zij lachen. We keken elkaar lang aan. Ik zag de mascara in haar wimpers zitten. Een diepe zucht. En toen: niks.

De vriendin kwam van een andere kant terug, ze was om de flat heen gelopen.

‘En?’ riep ze van een afstand. Leonie schudde van nee. Ik stond erbij als een zak friet. Nee; als één los, rechtopstaand frietje.

Ik mocht van mijn moeder een piece maken op de muur van mijn kamer. Ik kocht spuitbussen en maakte een schets op een stuk papier. Toen ging ik aan de slag, mijn raam helemaal open voor de gassen. Het was de eerste keer dat ik piece maakte. Hij was niet zo heel goed gelukt. ’s Avonds lag ik eronder in mijn bed. Mijn knuffels had ik naar de kast verwezen. Was dit dan het echte leven? Waren dit mijn vrienden en was ik één van hen? Zou het zo verder gaan?

 

3.

            Ik zat met Duncan in een speeltuintje. Hij dronk uit een fles Schmirnoff Ice. Ik hoefde even niet, zei ik. Van een afstandje zag ik hem aan komen lopen: Onno. Hij was de hond aan het uitlaten. Een poedel. Kut. Het was te laat om ervandoor te gaan, dat zou opvallen. Wat moest ik doen? Het duurde een tijdje voor hij dichterbij was. Ik besloot te doen alsof ik hem niet zag en kletste wat verder met Duncan. Waarschijnlijk over dat iets van school echt belachelijk was. Ik zat in een houten autootje op een dikke veer. Ik wipte wat heen en weer.

‘Hoi,’ hoorde ik achter me.

Ik draaide me quasi-verbaasd om. Daar stond Onno, natuurlijk. Met zijn duffe hond en in zijn zeeverkennerstenue. Hij had me zien zitten. Het was een paar maanden geleden dat we elkaar gezien hadden. Aan de buitenkant hield ik me koel, maar van binnen ging het te keer. Ik wilde echt niet gemeen zijn, maar ook niet voor lul staan. Wat was nu het juiste om te doen? Die stomme Onno ook, hij begreep toch zelf ook wel dat ik niet met hem gezien wilde worden?

‘Hoi,’ zei ik terug.

‘Hoe is het?’ vroeg hij.

‘Prima,’ zei ik en haalde mijn schouders op. Toen was het even stil.

Duncan keek een paar keer tussen ons heen en weer. ‘Kennen jullie elkaar?’ vroeg hij verbaasd. Ik begon weer wat te wippen op het autootje en zag dat Onno wilde gaan antwoorden. Ik was hem voor.

‘Neu… niet echt,’ zei ik. Ik tufte nog een keer maar had niet echt speeksel in mijn mond. Onno bleef stil. Toen haalde hij adem en zei: ‘doei.’

‘Doei,’ zei ik terug. Onno draaide zich om en trok de poedel met zich mee.

‘Doe mij toch maar een slokje,’ zei ik.

 

Een paar weken later was het einde van het schooljaar. Duncan en de rest gingen naar de MAVO. Ik naar de HAVO. Daar kwam ik in de klas bij Robbie, Dave en Cindy.

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML-tags en -attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>